ECLI:NL:RVS:2013:CA3636
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- C.J. Borman
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vergunningverlening woningonttrekking voor medisch centrum ondanks bezwaar om woonruimtebehoud
Het dagelijks bestuur verleende op 8 december 2010 een vergunning om een pand in Amsterdam aan de woonbestemming te onttrekken ten behoeve van Medisch Centrum Jan van Goyen, onder de voorwaarde van financiële compensatie. Appellanten, wonend nabij het pand, maakten bezwaar en stelden beroep in tegen het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van beroepsgronden, maar de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde deze uitspraak omdat appellanten binnen de door de rechtbank gestelde aanvullende termijn alsnog gronden hadden ingediend.
De Afdeling oordeelde dat appellanten als direct omwonenden belanghebbenden zijn en ontvankelijk zijn in hun beroep. Juridisch werd beoordeeld of het dagelijks bestuur terecht een vergunning had verleend ondanks het belang van het behoud van woonruimte. De Huisvestingswet en de gemeentelijke verordening bieden ruimte om onder voorwaarden, zoals financiële compensatie, een onttrekkingsvergunning te verlenen indien een specifiek belang zwaarder weegt.
Het dagelijks bestuur stelde dat het belang van het medisch centrum, dat moest voldoen aan ARBO-normen en zorgfuncties vervult, zwaarder woog dan het belang van het behoud van woonruimte. De Afdeling vond dit een redelijke belangenafweging, waarbij de financiële compensatie van 12% van de WOZ-waarde passend was. Appellanten stelden dat de compensatie onvoldoende was en dat het centrum niet paste in de woonomgeving, maar dit werd verworpen omdat planologische aspecten niet relevant zijn bij de vergunningverlening. Het beroep werd uiteindelijk ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor onttrekking van woonruimte ten behoeve van het medisch centrum wordt ongegrond verklaard.