ECLI:NL:RVS:2014:1035
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring: onrechtmatigheid en opheffing maatregel
De vreemdeling werd op 9 januari 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de belangenafweging die ten grondslag ligt aan de bewaring voldoende kenbaar en toetsbaar was gemaakt in het dossier. De Raad oordeelde dat de staatssecretaris niet deugdelijk had gemotiveerd waarom de belangen van de bewaring zwaarder wogen dan het belang van de vreemdeling, mede omdat de schriftelijke vastlegging van de belangenafweging pas na het verzoek van de rechtbank was gemaakt.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. De vrijheidsontnemende maatregel werd opgeheven en aan de vreemdeling werd een vergoeding toegekend over de periode van bewaring. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een tijdige en transparante belangenafweging bij vreemdelingenbewaring, vooral wanneer een asielaanvraag loopt, conform de Vreemdelingencirculaire 2000 en de Vreemdelingenwet 2000.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring werd onrechtmatig bevonden en opgeheven, met toekenning van vergoeding en proceskosten aan de vreemdeling.