ECLI:NL:RVS:2014:1074
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen weigering verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke op 22 november 2012 door de staatssecretaris werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het besluit vernietigde, verleende de staatssecretaris alsnog de verblijfsvergunning bij besluit van 22 november 2013, maar wees het verzoek om vergoeding van kosten af.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk was omdat het beoogde resultaat reeds was bereikt met het latere besluit van de staatssecretaris. Tevens werd het beroep tegen het besluit van 22 november 2013 ongegrond verklaard.
De vreemdeling voerde aan dat de vergunning met ingang van de datum van aanvraag had moeten worden verleend en dat het familie- en gezinsleven reeds vóór die datum was aangevangen, maar dit werd door de Afdeling verworpen op grond van eerdere jurisprudentie en de feitelijke vaststelling van de datum waarop het gezinsleven was aangetoond.
Ten slotte werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de vreemdeling. De Afdeling concludeerde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was en het beroep ongegrond, waarmee de procedure werd afgesloten.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 22 november 2013 ongegrond, met veroordeling van de staatssecretaris tot proceskostenvergoeding.