ECLI:NL:RVS:2014:1097

Raad van State

Datum uitspraak
21 maart 2014
Publicatiedatum
26 maart 2014
Zaaknummer
201308773/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • R. van der Spoel
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:69 AwbArt. 4:84 AwbArt. 32 Vw 2000Art. 35 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling rechtmatigheid intrekking verblijfsvergunning asiel door staatssecretaris

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 13 december 2012 de verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling, zowel voor bepaalde als onbepaalde tijd, met terugwerkende kracht ingetrokken. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde op grond van het vertrouwensbeginsel, hoewel hij dit niet als beroepsgrond had aangevoerd.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil was getreden door het vertrouwensbeginsel ambtshalve te betrekken, terwijl dit niet was aangevoerd. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

De Afdeling toetste vervolgens het besluit van de staatssecretaris aan de aangevoerde beroepsgronden in eerste aanleg. De vreemdeling had aangevoerd dat artikel 4:84 Awb Pro (bijzondere omstandigheden) had moeten worden toegepast vanwege zijn langdurig verblijf, bedrijf en kinderen in Nederland. De Afdeling oordeelde dat deze omstandigheden reeds in het beleid waren betrokken en niet als bijzondere omstandigheden konden gelden.

Daarom werd het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De Afdeling bevestigde daarmee de rechtmatigheid van het besluit van de staatssecretaris tot intrekking van de verblijfsvergunning.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

201308773/1/V2.
Datum uitspraak: 21 maart 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 22 augustus 2013 in zaak nr. 13/1072 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 13 december 2012 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van die vergunning ingetrokken. Voorts heeft hij daarbij de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van die vergunning ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 augustus 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat, voor zover thans van belang, de rechtbank buiten de in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb getrokken grenzen van het geschil is getreden door te oordelen dat het besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft miskend dat de vreemdeling geen beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel, aldus de staatssecretaris.
1.1. Uit de stukken, waaronder het beroepschrift en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, blijkt niet dat de vreemdeling de door de rechtbank gebezigde vernietigingsgrond als beroepsgrond heeft aangevoerd. Evenmin was de rechtbank bevoegd die beoordeling ambtshalve te verrichten, nu geen sprake is van de toepassing van een voorschrift van openbare orde. Derhalve is de rechtbank buiten de in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb getrokken grenzen van het geschil getreden.
De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 13 december 2012 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden.
3. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:84 van Pro de Awb. Daartoe wijst hij op zijn langdurige verblijf in Nederland, zijn bedrijf en zijn in Nederland verblijvende kinderen.
3.1. Volgens onderdeel C5/2 en C8/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals luidend ten tijde van belang, wordt met de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 32, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 slechts beoogd de situatie te herstellen zoals die rechtens zou zijn geweest indien wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 november 2011 in zaak nr. 201009489/1/V2), heeft het van toepassing zijnde beleid geen betrekking op eventuele schrijnende individuele omstandigheden. De door de vreemdeling gestelde omstandigheden - te weten zijn langdurige verblijf in Nederland, zijn bedrijf en zijn in Nederland verblijvende kinderen - zijn naar hun aard omstandigheden die moeten worden geacht bij de totstandkoming van voormeld beleid te zijn betrokken. Derhalve kunnen deze omstandigheden niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van Pro de Awb.
De beroepsgrond faalt.
3.2. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geding.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 22 augustus 2013 in zaak nr. 13/1072;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Bossmann
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2014
314-795.