ECLI:NL:RVS:2014:1104
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken naam indiener in beroepschrift vreemdelingenbewaring
De vreemdeling is bij besluit van 23 december 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit heeft hij beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 3 februari 2014 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding.
De Afdeling stelde vast dat het beroepschrift niet voldeed aan de vereiste van artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het niet de naam van de indiener bevatte. Uit het proces-verbaal bleek dat de vreemdeling in het beroepschrift zijn voornaam gebruikte in plaats van zijn volledige naam. Ondanks een aangetekend schrijven waarin hij in de gelegenheid werd gesteld dit te herstellen, bleef de vreemdeling in gebreke.
Op grond van artikel 85, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, dat verwijst naar artikel 6:6 van Pro de Awb, verklaarde de Afdeling het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer, onder voorzitterschap van H.G. Lubberdink.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de naam van de indiener in het beroepschrift.