ECLI:NL:RVS:2014:1179
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot proceskostenvergoeding in vreemdelingenzaak
Bij besluiten van 10 oktober 2011 wees de minister voor Immigratie en Asiel de aanvragen van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning en opheffing van zijn ongewenstverklaring af. Na een bezwaarprocedure en een nieuw besluit van 16 april 2013, waarin de ongewenstverklaring werd opgeheven maar een terugkeerbesluit en inreisverbod werden opgelegd, stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit van 8 augustus 2012 niet-ontvankelijk en verklaarde het beroep tegen het besluit van 16 april 2013 ongegrond voor zover het het inreisverbod betrof.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding had toegewezen voor het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2012, omdat de staatssecretaris in het latere besluit van 16 april 2013 alsnog een inhoudelijk oordeel gaf over het bezwaar. De grief van de vreemdeling werd gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het geen proceskostenvergoeding toekende.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank over de proceskosten in verband met het besluit van 16 april 2013. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van €974,- aan proceskosten en de vreemdeling kreeg het betaalde griffierecht van €239,- terugbetaald. Hiermee werd de positie van de vreemdeling versterkt in het bestuursrechtelijke proces tegen de staatssecretaris.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €974 en het griffierecht van €239 wordt terugbetaald aan de vreemdeling.