ECLI:NL:RVS:2014:1196
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- K.J.M. Mortelmans
- Rechtspraak.nl
Voorleggen prejudiciële vragen over inburgeringsvereiste bij gezinshereniging in het buitenland
In deze zaken gaat het om de afwijzing van aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) van twee vreemdelingen, K en A, die vanwege gezondheidsklachten niet konden voldoen aan het Nederlandse inburgeringsvereiste in het buitenland. De staatssecretaris handhaafde het inburgeringsvereiste en wees ontheffing af, terwijl de rechtbanken de besluiten vernietigden en toewijzing van de mvv's bevalen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderzoekt de verhouding tussen het Nederlandse inburgeringsvereiste en richtlijn 2003/86/EG inzake gezinshereniging. De Afdeling overweegt dat het stellen van integratievoorwaarden, waaronder het afleggen van een inburgeringsexamen op niveau A1, een gerechtvaardigd doel dient en niet per definitie in strijd is met het recht op gezinsleven zoals neergelegd in het EVRM en het Handvest.
De Afdeling merkt op dat het onduidelijk is in hoeverre de richtlijn lidstaten ruimte biedt om deze integratievoorwaarden voorafgaand aan toelating te stellen, en of de kosten van het examen (€350 per keer plus €110 voor het voorbereidingspakket) proportioneel zijn. Ook is onduidelijk hoe de hardheidsclausule moet worden toegepast bij bijzondere individuele omstandigheden.
Daarom legt de Afdeling prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn, de toepassing van de hardheidsclausule en de proportionaliteit van de examenkosten. De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst totdat het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: Behandeling van hoger beroep geschorst en prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie over het inburgeringsvereiste en examenkosten.