ECLI:NL:RVS:2014:1247
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H. van Kreveld
- D.J.C. van den Broek
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ernstige bodemverontreiniging en noodzaak spoedige sanering op percelen
Het college van gedeputeerde staten van Utrecht stelde bij besluit van 18 juni 2013 vast dat op bepaalde percelen een geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen aanwezig is, zonder dat spoedige sanering noodzakelijk is. Appellante betwistte dit besluit en voerde aan dat de verontreinigingen op de percelen samen met nabijgelegen verontreinigingen als één geval moesten worden beschouwd en dat spoedige sanering wel noodzakelijk was vanwege risico's voor mens en milieu.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de verontreinigingen onvoldoende technisch samenhangen om als één geval te worden aangemerkt. Het college mocht de verontreinigingen op de gedempte sloot en toegangsweg als afzonderlijke gevallen beschouwen. Daarnaast werd geoordeeld dat het geval van verontreiniging een historische verontreiniging betreft, mede omdat de verontreiniging deels dateert van vóór 1987.
Ten aanzien van de noodzaak van spoedige sanering concludeerde de Afdeling dat het college op juiste gronden uitging van een lagere concentratie lood dan appellante aanvoerde en dat de risico's voor mens en ecosysteem, beoordeeld met het softwareprogramma Sanscrit en de Circulaire bodemsanering 2009, niet onaanvaardbaar zijn. De omvang van ecologische risico's bleef onder de kritische grens. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat spoedige sanering niet noodzakelijk is, blijft gehandhaafd.