ECLI:NL:RVS:2014:1446

Raad van State

Datum uitspraak
23 april 2014
Publicatiedatum
23 april 2014
Zaaknummer
201307246/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet schadefonds geweldsmisdrijven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven, stellende slachtoffer te zijn van een mishandeling op 27 juli 2008. De commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af wegens onvoldoende objectieve gegevens die het geweldsmisdrijf en de rol van appellant aannemelijk maken.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Hij verwees naar een arrest van het gerechtshof in een strafzaak tegen hem, waarin werd overwogen dat sprake was van een aaneenschakeling van gebeurtenissen waarbij ook appellant gewond raakte, en dat geweld tegen hem niet uitgesloten kon worden. Tevens stelde appellant dat de verklaringen die de CSG gebruikte onbetrouwbaar waren.

De Raad van State oordeelt dat het aan appellant is om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De overwegingen van het hof in de strafzaak bieden hiervoor geen voldoende aanwijzing. Ook het betoog over onbetrouwbare verklaringen faalt, omdat zelfs zonder deze verklaringen geen voldoende objectieve aanwijzingen aanwezig zijn.

Daarom is het oordeel van de rechtbank dat de CSG de uitkering terecht heeft geweigerd, juist en op goede gronden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering bevestigd.

Uitspraak

201307246/1/A2.
Datum uitspraak: 23 april 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Benningbroek, gemeente Medemblik,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2013 in zaak nr. 12/1953 in het geding tussen:
[appellant]
en
de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2012 heeft de CSG een aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het fonds) afgewezen.
Bij besluit van 22 juni 2012 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De commissie heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.S. Rozenbeek, advocaat te Haarlem, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. H.K.M. Timmermans, werkzaam aldaar, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven kunnen uit het fonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.
2. Op 18 januari 2012 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om een uitkering uit het fonds op de grond dat hij slachtoffer is geworden van een mishandeling.
Aan het besluit van 13 maart 2012, gehandhaafd bij dat van 22 juni 2012, heeft de CSG ten grondslag gelegd dat [appellant] niet met voldoende objectieve gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat op 27 juli 2008 een geweldsmisdrijf heeft plaatsgevonden, met de toedracht, aanleiding en zijn rol daarin zoals hij bij de aanvraag heeft verklaard.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de CSG zich op dit standpunt mocht stellen. Hij wijst daarbij op het arrest van het gerechtshof, dat ziet op de tegen hem ingestelde strafvervolging, waarin het hof overweegt dat sprake is geweest van een aaneenschakeling van gebeurtenissen, waarbij ook [appellant] gewond is geraakt, en dat niet valt uit te sluiten dat ook jegens [appellant] geweld is gebruikt. Bovendien zijn de verklaringen die de CSG bij haar oordeel heeft betrokken onbetrouwbaar, aldus [appellant].
3.1. Het is aan de aanvrager van een uitkering uit het fonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geworden van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Met het wijzen op evenbedoelde overweging van het hof, is [appellant] daarin niet geslaagd. Deze overweging houdt immers geen aanwijzing in voor de aannemelijkheid van de stelling van [appellant]. De stelling dat de verklaringen die de CSG bij haar oordeel heeft betrokken - waaronder de verklaring van degene die het beweerdelijke geweldsmisdrijf zou hebben gepleegd over de mogelijke dronkenschap van [appellant] - onbetrouwbaar zijn, kan evenmin leiden tot het daarmee beoogde doel. Ook indien die verklaringen buiten beschouwing worden gelaten is er geen grond voor het oordeel dat er voldoende objectieve aanwijzingen zijn dat [appellant] slachtoffer is geworden van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de CSG in redelijkheid de gevraagde uitkering heeft kunnen weigeren.
Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.
w.g. Van Altena w.g. Dallinga
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014
18-799.