ECLI:NL:RVS:2014:1557
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf op grond van gezinshereniging
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 4 mei 2012 de aanvragen van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen. De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De vreemdelingen wilden verblijven bij een referent met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die tevens hun vermeende echtgenoot en vader was. De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdelingen feitelijk tot het gezin van de referent behoorden in Syrië, wat vereist is voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
De staatssecretaris stelde dat de vreemdelingen onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij tot het gezin behoorden, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen over woonadressen en verblijfsduur. De rechtbank had dit onvoldoende gemotiveerd bevonden. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris deugdelijk had gemotiveerd dat de feitelijke gezinsband niet was aangetoond en vernietigde het vonnis van de rechtbank. Het beroep van de vreemdelingen werd ongegrond verklaard.
Daarnaast faalden de beroepsgronden over het vermeende huwelijk en het subsidiaire verzoek om een reguliere verblijfsvergunning. De Raad van State wees het hoger beroep af en liet het besluit van 31 januari 2013 in stand.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris blijft in stand.