ECLI:NL:RVS:2014:1578
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel Eritrese vreemdeling wegens risico schending artikel 3 EVRM
De vreemdeling, afkomstig uit Eritrea, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 27 juni 2013 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM, met name vanwege het aanvragen van een nieuw paspoort bij de Eritrese ambassade. De vreemdeling stelde dat het aanvragen van een paspoort leidt tot onderzoek door de Eritrese autoriteiten en ondertekening van een B4-document, wat een reëel risico inhoudt.
De staatssecretaris baseerde zijn afwijzing op de veronderstelling dat de vreemdeling zelfstandig en legaal kan terugkeren naar Eritrea, mede omdat zij eerder haar paspoort had verlengd bij de ambassade. Ter zitting erkende de staatssecretaris dat de vreemdeling geen paspoort meer heeft en dat er onzekerheid bestaat over het gedrag van de Eritrese autoriteiten.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende heeft onderbouwd dat de vreemdeling zonder risico kan terugkeren en dat het beleid ten aanzien van Eritrea onduidelijkheid laat over de gevolgen van het aanvragen van een paspoort. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de zaak terugverwezen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard.