ECLI:NL:RVS:2014:1724
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende bijzondere hardheid
Bij besluit van 7 juni 2012 wees het college de aanvraag van appellante om een urgentieverklaring af. Appellante, die een verstandelijke beperking heeft en voor haar kind moet zorgen, betoogde dat zij dringend woonruimte nodig had omdat zij haar huidige woning per 9 september 2013 moest verlaten. Het college verklaarde het bezwaar tegen de afwijzing ongegrond en de rechtbank bevestigde dit oordeel.
Appellante stelde dat zij onder de criteria van artikel 14 van Pro de Regionale Huisvestingsverordening viel en dat het college op grond van artikel 63 van Pro de Verordening had moeten afwijken. De Afdeling overwoog dat het college beleidsvrijheid heeft bij het verlenen van urgentieverklaringen en dat het restrictieve beleid niet onredelijk is. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was binnen een redelijke termijn zelf woonruimte te vinden.
De Afdeling nam mee dat appellante tot 9 september 2013 woonruimte had, dat haar begeleider van Cordaan verklaarde dat zij zelfstandig was, en dat Cordaan een zorgplicht had om haar te helpen bij het vinden van een woning. Ook was zij ingeschreven voor een woning voor vijf personen, terwijl haar gezin uit twee personen bestond, wat haar inspanningen onvoldoende aannemelijk maakte.
Gelet hierop was het college in redelijkheid tot afwijzing van de urgentieverklaring gekomen zonder toepassing van artikel 63. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.