ECLI:NL:RVS:2014:1741
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek Nederlanderschap wegens onvoldoende verblijfsduur en toelating
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van haar verzoek om het Nederlanderschap door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De minister had het verzoek afgewezen omdat appellant niet kon aantonen dat zij gedurende vijf jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk had gehad, zoals vereist in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Appellant voerde aan dat haar huwelijk met een Nederlander een verblijfstitel opleverde en dat de voorwaarde van samenwoning in de verklaring van toelating geen wettelijke basis had. De Afdeling oordeelde echter dat de vraag of sprake is van toelating een vreemdelingenrechtelijke kwestie is die door het bevoegd gezag in Aruba moet worden beantwoord. Omdat appellant sinds 20 november 2003 niet meer samenwoonde met haar Nederlandse echtgenoot, was de verklaring van toelating niet meer geldig en had zij geen andere verblijfsvergunning verkregen.
De Afdeling benadrukte dat de naturalisatieprocedure en de verblijfsrechtelijke procedure gescheiden zijn en dat appellant de gevolgen van het niet aanvechten van de voorwaarde van samenwoning in de verblijfsprocedure moet dragen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om Nederlanderschap bevestigd.