ECLI:NL:RVS:2014:1774
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gegrondheid hoger beroep staatssecretaris tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 20 april 2012 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris en de vreemdeling hoger beroep instelden bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 onvoldoende had gemotiveerd. De vreemdeling had geen reisdocumenten of indicatief bewijs overgelegd die zijn gestelde reisroute ondersteunen en ook geen consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen afgelegd.
De Raad stelt dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de vreemdeling zijn reis niet aannemelijk heeft gemaakt, mede gelet op de wettelijke vereisten en omstandigheden van de zaak. Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling met inachtneming van de overwegingen van de Raad.
Tot slot stelt de Raad de proceskosten van de vreemdeling vast op €487 en bepaalt dat de rechtbank beslist over de vergoeding daarvan.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen.