ECLI:NL:RVS:2014:1839

Raad van State

Datum uitspraak
21 mei 2014
Publicatiedatum
21 mei 2014
Zaaknummer
201308749/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.A.C. Slump
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 WrbArt. 1:4 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand voor voornaamswijziging wegens ontbreken zwaarwegend belang

De appellant verzocht om een toevoeging voor rechtsbijstand om zijn voornaam te wijzigen van "Rachid" naar "Richard". De raad voor rechtsbijstand wees dit verzoek af omdat niet was aangetoond dat de aan de rechtsbijstand verbonden kosten in redelijke verhouding stonden tot het belang van de zaak.

De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant voerde aan dat hij hinder ondervindt van zijn voornaam doordat mensen voorbarige conclusies trekken over zijn afkomst en geloof, wat volgens hem tot discriminatie leidt. Hij wees erop dat een andere rechtbank zijn verzoek tot voornaamswijziging wel had toegewezen.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de raad als uitgangspunt hanteert dat geen toevoeging wordt verstrekt voor voornaamswijziging, tenzij er aantoonbare hinder is in het maatschappelijke functioneren. Appellant had onvoldoende concreet gemaakt hoe hij daadwerkelijk hinder ondervindt. Het enkele feit dat er vervelende opmerkingen worden gemaakt, zonder nadere onderbouwing of bewijs van psychische klachten, volstaat niet.

De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de toevoeging voor rechtsbijstand wegens ontbreken van zwaarwegende belangen.

Uitspraak

201308749/1/A2.
Datum uitspraak: 21 mei 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Landgraaf,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 7 augustus 2013 in zaak nr. 12/2734 in het geding tussen:
[appellant]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 16 mei 2012 heeft de raad de aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 19 juli 2012 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 augustus 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 12 mei 2014.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien de aan de te verlenen rechtsbijstand verbonden kosten niet in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak.
2. [appellant] heeft op 2 mei 2012 een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand bij de raad ingediend. Bij deze aanvraag heeft [appellant] een verzoekschrift, gericht aan de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, overgelegd waaruit blijkt dat hij zijn voornaam "Rachid" wenst te wijzigen in "Richard". De raad heeft de afwijzing van deze aanvraag bij besluit van 19 juli 2012 gehandhaafd en daaraan een advies van de Commissie voor Bezwaar van de raad van 18 juli 2012 ten grondslag gelegd.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat nu gesteld noch gebleken is dat [appellant] zodanige hinder van zijn voornaam ondervindt dat hij wordt belemmerd in zijn maatschappelijk leven, de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen zwaarwegende belangen zijn op grond waarvan een toevoeging dient te worden verleend. [appellant] voert hiertoe aan dat hij bij zijn aanvraag heeft gesteld dat hij hinder ondervindt van zijn voornaam en in dit verband erop heeft gewezen dat hij wordt geconfronteerd met mensen die voorbarige conclusies trekken over zijn afkomst en geloof. Voorts wijst [appellant] erop dat de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, er wel vanuit is gegaan dat er voldoende zwaarwegende belangen bestaan om zijn verzoek om voornaamswijziging toe te wijzen. Het is voor hem niet te begrijpen en bovendien discriminatoir dat deze rechtbank tot een ander oordeel komt, aldus [appellant].
3.1. De rechtbank heeft bij haar beoordeling de werkinstructie toevoegen "P080 voornaamswijziging" in aanmerking genomen.
Uit deze werkinstructie volgt dat de raad als uitgangspunt hanteert dat er geen toevoeging wordt verstrekt voor voornaamswijziging omdat de kosten niet in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak. Uitzondering hierop vormt het geval dat iemand aantoonbare hinder ondervindt in het maatschappelijke functioneren.
3.2. [appellant] heeft bij zijn aanvraag toegelicht dat mensen die hem niet kennen bij voorbaat conclusies trekken over onder meer zijn nationaliteit en geloof, hetgeen meer dan eens tot vervelende situaties heeft geleid. Men gaat er kennelijk vanuit dat hij zich op latere leeftijd heeft bekeerd tot de islam. Verder heeft [appellant] opgemerkt dat er in algemene zin steeds vaker vervelende en denigrerende opmerkingen worden gemaakt en dat herhaaldelijk wordt gevraagd waarom hij geen Nederlandse dan wel westerse voornaam heeft.
3.3. Met hetgeen [appellant] heeft toegelicht, heeft hij onvoldoende inzichtelijk gemaakt in welke mate hij bij gebruik van zijn voornaam daadwerkelijk hinder ondervindt in het maatschappelijke functioneren. Dat het gebruik van zijn voornaam vervelende en denigrerende opmerkingen en negatieve reacties vanuit zijn omgeving oplevert, heeft [appellant] niet aan de hand van voorbeelden nader toegelicht. Evenmin is gebleken dat dit bij [appellant] psychische dan wel andere klachten heeft veroorzaakt. In dit kader is verder niet relevant dat de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, het verzoek van [appellant] om voornaamswijziging heeft toegewezen, omdat de raad, gelet op artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wrb, moet beoordelen of de aan de te verlenen rechtsbijstand verbonden kosten in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak. Dit is een andere beoordeling dan die de civiele rechter op grond van artikel 1:4, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft moeten verrichten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de bestreden overweging gekomen.
Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Heer, ambtenaar van staat.
w.g. Slump w.g. De Heer
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014
636.