ECLI:NL:RVS:2014:1875
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding na onrechtmatige boete Wet arbeid vreemdelingen
Bij besluit van 22 mei 2012 wees de minister een verzoek tot schadevergoeding af dat was ingediend door de rechtsvoorganger van appellant wegens een onrechtmatig opgelegde boete. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit van 21 september 2012, maar hield de rechtsgevolgen van dat besluit in stand omdat appellant de schade onvoldoende had gespecificeerd.
Appellant stelde dat hij schade had geleden door een misgelopen opdracht en personeelskosten, maar kon dit niet met bewijsstukken onderbouwen. De Afdeling oordeelde dat het aan appellant was om de schade aannemelijk te maken en dat jurisprudentie uit letselschadezaken niet van toepassing was.
Verder wees de Afdeling het verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand af, omdat de exclusieve regeling voor proceskostenvergoeding in bestuursrecht van toepassing was en appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor vergoeding.
De Afdeling concludeerde dat de rechtbank terecht oordeelde dat de minister niet hoefde over te gaan tot vergoeding van de schade en bevestigde het bestreden vonnis. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.