ECLI:NL:RVS:2014:1887
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C. Kranenburg
- Rechtspraak.nl
Herziening kinderopvangtoeslag geweigerd wegens onvoldoende bewijs betaling
De Belastingdienst/Toeslagen had de definitief vastgestelde kinderopvangtoeslag van appellante voor de jaren 2007, 2008 en 2009 herzien op nihil en het betaalde bedrag teruggevorderd. Appellante had bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de Belastingdienst de door haar verstrekte gegevens had geaccepteerd en dat de toeslag daarom niet meer herzien mocht worden.
De Raad van State oordeelde dat de definitieve vaststelling van de toeslag op 5 november 2009, 1 juni 2010 en 10 mei 2011 een definitief karakter had gekregen. De herzieningsbevoegdheid van de Belastingdienst op grond van artikel 21 Awir Pro was daarmee beperkt. De dienst had niet aannemelijk gemaakt dat zij bij de definitieve vaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn van het ontbreken van bewijs van betaling. Ook was niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening op grond van het weten of behoren te weten van appellante.
Met betrekking tot het jaar 2010 oordeelde de Raad dat appellante onvoldoende had aangetoond dat zij de kosten had betaald, ondanks een eerdere veroordeling tot betaling aan de gastouder voor een eerdere periode. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het besluit van 5 juli 2012 voor zover het de jaren 2007-2009 betrof en herroept de besluiten van 9 november 2011. De uitspraak van de rechtbank werd voor het overige bevestigd. Tevens werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Besluit herziening kinderopvangtoeslag 2007-2009 vernietigd, toeslag herleeft, herziening 2010 bevestigd.