ECLI:NL:RVS:2014:1973
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geloofwaardigheid asielrelaas en afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 14 januari 2013 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 12 juni 2013 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State en betoogde dat de rechtbank ten onrechte de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet terughoudend had getoetst en haar eigen oordeel had gesteld boven dat van de staatssecretaris. Volgens vaste jurisprudentie behoort de beoordeling van geloofwaardigheid tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en dient de rechter deze slechts terughoudend te toetsen.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht op grond van artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 het asielrelaas niet geloofwaardig achtte. De staatssecretaris had gemotiveerd dat het ongeloofwaardig was dat de vreemdeling al voor vertrek naar Australië in negatieve belangstelling stond van de Iraanse autoriteiten, gezien de probleemloze verlening van het studievisum.
Ook achtte de staatssecretaris het ongeloofwaardig dat de vreemdeling na detentie werd vrijgelaten zonder schuldbekentenis en ondanks het risico op vertrek uit Iran. De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 23 mei 2014 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.