ECLI:NL:RVS:2014:2154
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens niet-onderzocht bijzondere omstandigheden bij intrekking verblijfsvergunning asiel
De minister heeft op 14 februari 2012 de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, die dit beroep op 2 april 2014 niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de beroepstermijn. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overweegt dat de vreemdeling het beroepschrift pas op 4 oktober 2013 heeft ingediend, ruim na de wettelijke termijn van vier weken zoals bepaald in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, maar de Afdeling stelt vast dat de rechtbank niet heeft onderzocht of bijzondere, individuele omstandigheden aanwezig zijn die toepassing van de termijnregel onredelijk maken, zoals bedoeld in het arrest Bahaddar van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De Afdeling acht het hoger beroep kennelijk gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank om alsnog te beoordelen of bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die de termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen. Tevens stelt de Afdeling de proceskosten in hoger beroep vast op €487,00 en bepaalt dat de rechtbank beslist over de vergoeding daarvan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.