AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen niet tijdig besluit Commissariaat voor de Media
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, die het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het Commissariaat voor de Media niet-ontvankelijk had verklaard. De rechtbank had vervolgens het verzet van appellant tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond verklaard. Appellant stelde dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State toch kennis moest nemen van het hoger beroep omdat de rechtbank geen beslissing had genomen op een verzoek om schadevergoeding en de uitspraak ondeugdelijk was gemotiveerd, wat volgens appellant een schending van het recht op een eerlijk proces opleverde.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat ingevolge artikel 8:104, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen de uitspraak van de rechtbank in deze zaak geen hoger beroep openstaat. Er is geen sprake van een onjuiste grondslag voor de appelverboduitspraak en er zijn geen fundamentele procesrechtelijke beginselen geschonden die zouden rechtvaardigen dat de Afdeling toch kennis neemt van het hoger beroep.
De Afdeling benadrukt dat de verzetsprocedure beperkt is tot de beoordeling van de vraag of de rechtbank terecht vereenvoudigde behandeling heeft toegepast en dat een veroordeling tot schadevergoeding alleen kan volgen na gegrondverklaring van het verzet en een uitspraak op het beroep. De Afdeling verklaart zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
Uitspraak
201309957/1/A3.
Datum uitspraak: 18 juni 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2013 in zaak nr. 13/1186 op het verzet van:
[appellant].
Procesverloop
Bij uitspraak van 29 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het Commissariaat voor de Media niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 19 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen gedane verzet ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het Commissariaat heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2014, waar [appellant] en het Commissariaat, vertegenwoordigd door mr. N. Meester, werkzaam bij het Commissariaat, en bijgestaan door mr. G.H.L Weesing, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De aangevallen uitspraak is een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Hiertegen kan ingevolge artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, geen hoger beroep worden ingesteld.
2. [appellant] betoogt dat niettemin aanleiding bestaat voor de Afdeling om van het hoger beroep kennis te nemen. Daartoe voert [appellant] aan dat in de uitspraak op verzet van de rechtbank geen beslissing is genomen op het hangende de verzetsprocedure gedane verzoek om schadevergoeding. Daarnaast is de uitspraak ondeugdelijk gemotiveerd. De uitspraak maakt derhalve een inbreuk op het recht op een eerlijk proces, hetgeen een schending oplevert van artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, aldus [appellant].
3. Voor kennisneming van een hoger beroep in weerwil van artikel 8:104, tweede lid, van de Awb, kan grond bestaan, indien met het doen van de aangevallen uitspraak beginselen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen op zodanige wijze zijn geschonden, dat geoordeeld moet worden dat geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden. Ook kan hiervoor grond bestaan, indien de rechtbank de zaak ten onrechte heeft aangemerkt als een zaak die onder het appelverbod valt door een onjuiste grondslag voor haar uitspraak aan te wijzen.
4. [appellant] heeft niet aangevoerd dat de rechtbank de zaak ten onrechte heeft aangemerkt als een zaak die onder het appelverbod valt. Zijn betoog biedt evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank beginselen van een goede procesorde, dan wel fundamentele rechtsbeginselen zodanig heeft geschonden, dat geoordeeld moet worden dat er geen eerlijk proces is geweest. Dat [appellant] het niet eens is met de beslissing op zijn verzet en met de daaraan ten grondslag gelegde motivering is daartoe onvoldoende. Voorts is van belang dat de beoordeling van een verzet uitsluitend betrekking heeft op de vraag of de rechtbank terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan en derhalve geen behandeling ten gronde van de hoofdzaak inhoudt. De verzetsprocedure biedt daarom slechts ruimte voor veroordeling van een bestuursorgaan tot schadevergoeding indien, na gegrondverklaring van het verzet, met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak wordt gedaan op het beroep.
5. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.