ECLI:NL:RVS:2014:2343
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toeslagen wegens niet rechtmatig verblijf volgens koppelingsbeginsel
De Belastingdienst/Toeslagen had de voorschotten huur- en zorgtoeslag en het kindgebonden budget voor appellant herzien vastgesteld omdat zij sinds januari 2012 niet rechtmatig in Nederland verbleef. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden door de Belastingdienst en de rechtbank ongegrond verklaard. In hoger beroep betoogde appellant dat de weigering niet redelijk en proportioneel was, onder meer omdat haar jongste kind in Nederland was geboren en het gezin tussen twee verblijfsvergunningen in zat.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het koppelingsbeginsel, neergelegd in artikel 10, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, een redelijke en objectieve rechtvaardiging biedt om het recht op toeslagen te koppelen aan rechtmatig verblijf. Dit beginsel voorkomt dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf via toeslagen hun verblijf kunnen voortzetten of een schijn van legaliteit verkrijgen.
De Afdeling oordeelde dat de door appellant aangevoerde omstandigheden, zoals het verblijfsgat en het in Nederland geboren kind, geen zeer bijzondere omstandigheden vormen die het koppelingsbeginsel buiten toepassing laten. Ook is de weigering niet in strijd met het discriminatieverbod en het recht op gezinsleven uit het EVRM. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van toeslagen bevestigd wegens niet rechtmatig verblijf.