AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering toeslagen wegens niet rechtmatig verblijf volgens koppelingsbeginsel
De Belastingdienst/Toeslagen had de voorschotten huur- en zorgtoeslag en het kindgebonden budget voor appellant herzien vastgesteld omdat zij sinds januari 2012 niet rechtmatig in Nederland verbleef. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden door de Belastingdienst en de rechtbank ongegrond verklaard. In hoger beroep betoogde appellant dat de weigering niet redelijk en proportioneel was, onder meer omdat haar jongste kind in Nederland was geboren en het gezin tussen twee verblijfsvergunningen in zat.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het koppelingsbeginsel, neergelegd in artikel 10, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, een redelijke en objectieve rechtvaardiging biedt om het recht op toeslagen te koppelen aan rechtmatig verblijf. Dit beginsel voorkomt dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf via toeslagen hun verblijf kunnen voortzetten of een schijn van legaliteit verkrijgen.
De Afdeling oordeelde dat de door appellant aangevoerde omstandigheden, zoals het verblijfsgat en het in Nederland geboren kind, geen zeer bijzondere omstandigheden vormen die het koppelingsbeginsel buiten toepassing laten. Ook is de weigering niet in strijd met het discriminatieverbod en het recht op gezinsleven uit het EVRM. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van toeslagen bevestigd wegens niet rechtmatig verblijf.
Uitspraak
201310609/1/A2.
Datum uitspraak: 25 juni 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 29 oktober 2013 in zaak nr. 13/436 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 21 februari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2012 voor [appellante] herzien vastgesteld op respectievelijk € 178,00, € 70,00 en € 142,00.
Bij besluit van 9 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J. Sprakel, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, werkzaam aldaar, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan de vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan.
2. Aan de besluiten van 21 februari 2012, gehandhaafd bij dat van 9 april 2013, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellante] sinds 24 januari 2012 niet rechtmatig in Nederland verblijft, zodat zij op de voet van artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 geen aanspraak maakt op huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen doen zich geen zeer bijzondere omstandigheden voor, op grond waarvan artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 buiten toepassing zou moeten worden gelaten.
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering van de Belastingdienst/Toeslagen haar voorschotten huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget te verstrekken, niet redelijk en proportioneel is. Hiertoe voert zij aan dat haar jongste kind in Nederland is geboren, het gezin tussen twee verblijfsvergunningen in zat en dat het gezien buiten hun schuld Nederland niet kon verlaten.
3.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 in zaak nr. 201302396/1/A2 wordt overwogen dat aan het door de Belastingdienst/Toeslagen toegepaste artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 het koppelingsbeginsel ten grondslag ligt. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling strekt het koppelingsbeginsel ertoe het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen, te koppelen aan rechtmatig verblijf in Nederland. Het koppelingsbeginsel heeft tot doel te voorkomen dat vreemdelingen die hier geen rechtmatig verblijf hebben door ontvangst van uitkeringen en verstrekkingen in staat worden gesteld tot voortzetting van hun wederrechtelijk verblijf of het verwerven van de schijn van volkomen legaliteit. Daarnaast is het erop gericht te voorkomen dat de vreemdeling ‘in procedure’ voor een verblijfsvergunning gaandeweg in staat blijkt een zodanig sterke rechtspositie op te bouwen - of de schijn van een dergelijke positie - dat hij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijkt (Kamerstukken II, 1994/95, 24 233, nr. 3, blz. 1 en 2).
3.2. Onder verwijzing naar de uitspraken van 22 december 2010 in zaak nr. 200909234/1/H2 en 26 juni 2013 in zaak nr. 201210452/1/A2 overweegt de Afdeling dat, gezien het met het koppelingsbeginsel nagestreefde doel, dit beginsel op zichzelf een redelijke en objectieve rechtvaardiging biedt voor het onderscheid tussen enerzijds een persoon met de Nederlandse nationaliteit of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000 en anderzijds een vreemdeling, zoals [appellante], aan wie een zodanig verblijfsrecht (nog) niet is toegekend.
3.3. Zoals de Afdeling eveneens heeft overwogen in de hiervoor vermelde uitspraken, vinden ingevolge artikel 94 vanPro de Grondwet wettelijke voorschriften evenwel geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Het niet toekennen van een kindgebonden budget kan onder zeer bijzondere omstandigheden in het concrete geval worden aangemerkt als zijnde in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 vanPro het EVRM in samenhang met het in artikel 8 vanPro het EVRM besloten recht op respect voor het familie- en gezinsleven, in welk geval de desbetreffende bepaling buiten toepassing moet worden gelaten. De Belastingdienst/Toeslagen dient een beroep op zeer bijzondere omstandigheden zelfstandig te beoordelen.
3.4. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet toekennen van voorschotten huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2012 aan [appellante] niet strijdig is met artikel 14 gelezenPro in verbinding met artikel 8 vanPro het EVRM. De door [appellante] gestelde omstandigheden zien erop dat haar jongste kind in Nederland geboren is, dat [appellante] en haar kinderen buiten hun schuld Nederland niet konden verlaten en dat sprake was van een verblijfsgat. Deze omstandigheden zijn ieder voor zich geen bijzondere omstandigheden die in dit geval de weigering de voorschotten te verstrekken strijdig doet zijn met het discriminatieverbod in samenhang met het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. Ook als de genoemde omstandigheden, voor zover relevant, in onderling verband worden beschouwd, zijn zij niet zo bijzonder dat daarom artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 buiten toepassing gelaten zou moeten worden.
Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.