ECLI:NL:RVS:2014:2352
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat uitzetting vreemdeling niet achterwege blijft wegens onvoldoende medische gronden
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van een vreemdeling tegen een afwijzing van toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 gegrond verklaarde.
De vreemdeling had aangevoerd dat zijn uitzetting niet verantwoord was vanwege medische redenen, waarbij het Bureau Medische Advisering had vastgesteld dat reizen verantwoord was, maar dat in het land van herkomst (Uganda) geen adequate medische behandelmogelijkheden aanwezig zijn. De staatssecretaris stelde dat het besluit van 15 juni 2011, waarin toepassing van artikel 64 werd Pro toegekend, een ambtelijke misslag was omdat de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling niet vaststonden.
De rechtbank had het besluit van de staatssecretaris vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank dit standpunt niet juist had beoordeeld. De Afdeling bevestigde dat de staatssecretaris niet gehouden is een gemaakte fout te herhalen en dat het beleid voorziet in een gedeeltelijk medisch advies bij twijfel over identiteit. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Lubberdink en leden Borman en Verheij op 17 juni 2014.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris gehandhaafd.