ECLI:NL:RVS:2014:2358
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing uitstel van uitzetting vreemdeling
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het bezwaar van een vreemdeling tegen besluiten tot uitstel van vertrek gegrond verklaarde en deze besluiten vernietigde.
De vreemdeling had aanvankelijk een aanvraag gedaan om uitzetting achterwege te laten op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege medische redenen. Na afwijzing verleende de minister uitstel van vertrek, maar de rechtbank stelde de vreemdeling in het gelijk en bepaalde een eerdere ingangsdatum voor het uitstel.
De staatssecretaris voerde hoger beroep, maar de vreemdeling overhandigde een besluit waarbij hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd werd verleend met ingang van 1 februari 2013. Hierdoor ontbrak de staatssecretaris aan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Een inhoudelijke toetsing van de rechtsvraag over toepassing van artikel 64 Vw Pro 2000 met terugwerkende kracht werd niet meer nodig geacht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.