ECLI:NL:RVS:2014:2365
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring onrechtmatig vastgehouden ondanks wens tot vertrek naar Frankrijk
De vreemdeling werd op 2 april 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij beschikte over geldige documenten en gaf herhaaldelijk aan Nederland te willen verlaten en terug te keren naar Frankrijk, hetgeen werd ondersteund door op zijn naam gestelde vliegtickets.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had vastgesteld dat aan de voorwaarden van artikel 59, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 was voldaan. De bewaring had vanaf 4 april 2014 moeten worden beëindigd omdat de vreemdeling daadwerkelijk gelegenheid had om te vertrekken.
De staatssecretaris voerde aan dat een beoordeling door de Koninklijke Marechaussee nodig was voor begeleiding bij terugkeer, waardoor geen directe gelegenheid tot vertrek bestond. De Raad van State verwierp dit standpunt omdat de wet hieraan geen aanknopingspunten biedt.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende een vergoeding toe over de periode van 4 tot 11 april 2014, de dag van uitzetting. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vreemdeling kreeg een vergoeding toegekend wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring vanaf 4 april 2014 tot zijn uitzetting op 11 april 2014.