ECLI:NL:RVS:2014:2367
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling niet in vreemdelingenbewaring wegens ontbreken significant risico op onderduiken
De vreemdeling werd op 2 april 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op overdracht aan Italië op grond van de Dublinverordening. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde dat er geen significant risico bestond dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken, mede omdat hij bekend was bij de autoriteiten en zich nooit aan toezicht had onttrokken.
De Raad van State overwoog dat de voorwaarden voor vreemdelingenbewaring onder de Dublinverordening en de Vreemdelingenwet 2000 vereisen dat er een significant risico op onderduiken bestaat. Hoewel formeel aan de voorwaarden was voldaan, oordeelde de Afdeling dat op basis van de feiten, waaronder eerdere succesvolle overdrachten aan Italië en de bereidheid van de vreemdeling tot medewerking, geen grond was voor het aannemen van een dergelijk risico.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende een vergoeding toe over de periode van bewaring. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van een individuele beoordeling van het risico op onderduiken bij het opleggen van vreemdelingenbewaring.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van een significant risico op onderduiken.