ECLI:NL:RVS:2014:2442
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering voorschot kindgebonden budget wegens ontbreken rechtmatig verblijf
De Belastingdienst/Toeslagen heeft het voorschot kindgebonden budget over 2011 voor appellant herzien vastgesteld op nihil wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf volgens artikel 11, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de weigering in strijd was met het non-discriminatiebeginsel van artikel 14 EVRM Pro en het recht op respect voor het gezinsleven uit artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling overweegt dat het koppelingsbeginsel, dat het recht op uitkeringen koppelt aan rechtmatig verblijf, een redelijke en objectieve rechtvaardiging vormt voor het onderscheid. De door appellant aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals psychische klachten en het leven onder het bestaansminimum, zijn onvoldoende om het koppelingsbeginsel buiten toepassing te laten.
Verder is geoordeeld dat de belangen van het kind, zoals vereist door artikel 3 IVRK Pro, voldoende zijn meegewogen door de Belastingdienst/Toeslagen. Ook is het horen van appellant in de bezwaarprocedure niet onterecht achterwege gelaten. De Afdeling concludeert dat de weigering niet in strijd is met het EVRM of het IVRK en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het voorschot kindgebonden budget wordt bevestigd.