ECLI:NL:RVS:2014:2443
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verzoek uitzetting achterwege op medische gronden
De vreemdeling had een aanvraag ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 om te bepalen dat uitzetting achterwege blijft vanwege medische omstandigheden. De minister wees dit verzoek bij besluit van 8 oktober 2012 af. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 25 januari 2013. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De kern van het geschil betrof de vraag of de medische informatie die de vreemdeling had overgelegd voldoende bewijs vormde volgens de Vreemdelingencirculaire 2000. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris het bezwaar ten onrechte alleen had afgewezen wegens het ontbreken van een specifiek formulier. De staatssecretaris stelde echter dat de medische stukken onvoldoende waren omdat zij niet voldeden aan de vereisten van de circulaire, zoals bewijs van actieve behandeling en registratie van de behandelaar.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank dit standpunt niet had onderkend en dat de medische stukken niet voldeden aan de bewijsvereisten. Daarom was het beroep van de vreemdeling ongegrond en werd het vonnis van de rechtbank vernietigd. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek om uitzetting achterwege te laten wordt ongegrond verklaard.