ECLI:NL:RVS:2014:2501

Raad van State

Datum uitspraak
9 juli 2014
Publicatiedatum
9 juli 2014
Zaaknummer
201307434/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10, tweede lid, aanhef en onder d, Wet openbaarheid van bestuurArt. 8:29, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek openbaarmaking documenten IGZ-onderzoek

Bij besluit van 1 oktober 2012 wees de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het verzoek van appellant af om openbaarmaking van documenten die ten grondslag lagen aan een IGZ-onderzoek naar het handelen van de Centrale Huisartenpost en de Regionale ambulancedienst met betrekking tot haar echtgenoot.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarvan een deel werd gehonoreerd, maar de rechtbank verklaarde het daarop volgende beroep ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat het recht op openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. Het persoonlijke belang van appellant bij openbaarmaking, bijvoorbeeld voor een civielrechtelijke procedure, kan niet worden meegewogen in de belangenafweging.

De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De minister mocht het verzoek om openbaarmaking weigeren omdat het belang van inspectie, controle en toezicht zwaarder woog dan het belang van appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot openbaarmaking wordt bevestigd.

Uitspraak

201307434/1/A3.
Datum uitspraak: 9 juli 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 12 juli 2013 in zaak nr. 13/3141 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft de minister het verzoek van [appellante] om openbaarmaking van de onderliggende documenten bij het onderzoeksrapport van de Inspectie voor gezondheidszorg (hierna: de IGZ) van 21 november 2011 naar het handelen van de Centrale Huisartenpost (hierna: de CHP) en de Regionale ambulancedienst (hierna: de RAV) ten aanzien van haar echtgenoot, afgewezen.
Bij besluit van 23 april 2013 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 24 januari 2014 heeft [appellante] toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2014, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. S. Sadradein en mr. I.L. de Graaf, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen.
2. De minister heeft het verzoek afgewezen omdat volgens hem het belang van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen aan openbaarmaking van de gevraagde documenten in weg staat.
3. [appellante] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister terecht haar persoonlijke belang bij de openbaarmaking van de gevraagde documenten in verband met de door haar te voeren civielrechtelijke procedure niet heeft betrokken bij de beoordeling of tot openbaarmaking moet worden overgegaan.
4. Dit betoog slaagt niet.
Zoals de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2009 in zaak nr. 200803650/1 (www.raadvanstate.nl) terecht heeft overwogen dient het recht op openbaarmaking op grond van de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering. Bij de te verrichten belangenafweging wordt het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie afgezet tegen de door de weigeringsgronden te beschermen belangen. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het specifieke belang van [appellante] niet kan worden meegewogen en dat de minister dat belang derhalve terecht niet heeft betrokken bij zijn besluit het verzoek om openbaarmaking af te wijzen.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Tuyll van Serooskerken
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014
290.