ECLI:NL:RVS:2014:2550
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen inreisverbod na ongewenstverklaring vreemdeling
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen een inreisverbod gegrond had verklaard en het besluit vernietigde. Het inreisverbod was uitgevaardigd na opheffing van een ongewenstverklaring.
De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris het besluit onzorgvuldig had voorbereid en ondeugdelijk had gemotiveerd, met name over de belangenafweging op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 8 EVRM Pro. De staatssecretaris voerde aan dat de rechtbank het besluit ten onrechte had getoetst alsof het een eerste inreisverbod betrof en dat hij de individuele omstandigheden juist had betrokken.
De Raad van State oordeelde dat het primaire betoog van de staatssecretaris faalt omdat het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring niet als verzoek tot opheffing van een reeds uitgevaardigd inreisverbod was beoordeeld. Wel moet de staatssecretaris de vreemdeling in de gelegenheid stellen individuele omstandigheden aan te voeren en zijn standpunt motiveren. De Raad stelde vast dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de belangenafweging niet juist was gemaakt en verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.