ECLI:NL:RVS:2014:2572
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na toepassing Dublinverordening
De vreemdeling diende op 6 december 2013 een asielaanvraag in Nederland in, maar uit onderzoek bleek dat hij eerder in België een asielaanvraag had gedaan. Op grond van de Dublinverordening werd vastgesteld dat Spanje verantwoordelijk was voor de behandeling van zijn asielverzoek, en Spanje accepteerde het terugnameverzoek.
De vreemdeling voerde aan dat Nederland verantwoordelijk was geworden omdat hij niet binnen zes maanden aan Spanje was overgedragen. De staatssecretaris stelde echter dat de overdrachtstermijn was verlengd vanwege het onderduiken van de vreemdeling, wat niet werd betwist.
De vreemdeling stelde dat vanwege zijn ernstige psychische problemen en suïciderisico de staatssecretaris gebruik had moeten maken van de discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag zelf te behandelen. De staatssecretaris vond dat de medische documenten onvoldoende waren om het Bureau Medische Advisering te raadplegen en stelde dat de medische voorzieningen in Spanje vergelijkbaar zijn met die in Nederland.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om de zaak zelf te behandelen. Tevens is toegezegd dat bij overdracht een vliegreisgeschiktheidsonderzoek wordt gedaan en medische gegevens aan Spanje worden verstrekt. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn asielaanvraag bevestigd.