ECLI:NL:RVS:2014:258

Raad van State

Datum uitspraak
22 januari 2014
Publicatiedatum
29 januari 2014
Zaaknummer
201202570/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 Wet COaArt. 3 Rva 2005Art. 9 Rva 2005Art. 64 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling recht op verstrekkingen aan vreemdeling op grond van Rva 2005 en EVRM artikel 8

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) wees een aanvraag van een vreemdeling om verstrekkingen krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van het COa, waarna het COa hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat het COa op grond van de Wet COa en de Rva 2005 alleen verstrekkingen mag verlenen aan bepaalde categorieën vreemdelingen die onder de regeling vallen. De vreemdeling behoorde ten tijde van de aanvraag niet tot deze categorieën, hetgeen door hem niet werd betwist. Ook was niet gesteld dat zonder opvang een acute medische noodsituatie zou ontstaan, zodat op grond van artikel 8 EVRM Pro geen recht op verstrekkingen kon worden ontleend.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het COa zijn weigering niet deugdelijk had gemotiveerd. Het hoger beroep van het COa werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van het COa tot weigering van verstrekkingen blijft in stand.

Uitspraak

201202570/1/V1.
Datum uitspraak: 22 januari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 15 februari 2012 in zaak nr. 11/24279 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
het COa.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2011 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om verstrekkingen krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 15 februari 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het COa een nieuw besluit op de aanvraag neemt. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Het COa en de vreemdeling hebben desgevraagd nadere stukken ingediend.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft desgevraagd een stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In de enige grief klaagt het COa dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de weigering om de vreemdeling verstrekkingen te verlenen niet in strijd is met het in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) neergelegde recht op respect voor het privéleven. Het COa voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling aan die bepaling geen recht op verstrekkingen kan ontlenen, nu de Rva 2005 niet op de vreemdeling van toepassing is en hij derhalve geen aanspraak heeft op de verstrekkingen bedoeld in artikel 9 van Pro de Rva 2005.
1.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COa) is het COa onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.
Ingevolge het tweede lid kan de staatssecretaris het COa taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.
Ingevolge het derde lid kan de staatssecretaris regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in het tweede lid.
De Rva 2005 strekt ter uitvoering van artikel 3, derde lid, van de Wet COa.
In artikel 3 van Pro de Rva 2005 is bepaald aan welke categorieën asielzoekers of daarmee gelijk te stellen categorieën vreemdelingen het COa opvang biedt.
Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, g en n, stelt het COa aan de in het tweede lid vermelde categorieën asielzoekers gelijk een vreemdeling van wie uitzetting krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) achterwege blijft, een vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f of h, van de Vw 2000, die zich naar het oordeel van de staatssecretaris feitelijk bevindt in dezelfde situatie als bedoeld in artikel 64 van Pro de Vw 2000, alsmede een uitgeprocedeerde asielzoeker met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, die voorafgaand aan de aanvraag om verblijf op medische gronden zijn complete en actuele medische gegevens heeft overgelegd.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, omvat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval betaling van buitengewone kosten.
1.2. Zoals volgt uit uitspraak van de Afdeling van 22 november 2013 in zaak nr. 201112327/1/V1, kan in een voorkomend geval ingevolge artikel 8 van Pro het EVRM op de Staat een verplichting rusten om een hier te lande verblijvende vreemdeling wegens zijn medische situatie opvang te verlenen. Voorts volgt uit die uitspraak dat de Staat aan die verplichting voldoet door de voorzieningen die het COa biedt ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, g en n, van de Rva 2005 en de feitelijke opvang door het COa in geval van een acute medische noodsituatie.
1.3. De vreemdeling heeft het COa verzocht om betaling van buitengewone kosten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rva 2005. Hij heeft daarbij gewezen op zijn medische problematiek. De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling ten tijde van belang niet meer behoorde tot een van de categorieën vreemdelingen bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Rva 2005, hetgeen de vreemdeling in hoger beroep niet bestrijdt. Voorts heeft de vreemdeling niet gesteld dat zich zonder opvang een acute medische noodsituatie zal voordoen. Hij kan derhalve, gelet op het onder 1.2. overwogene, aan artikel 8 van Pro het EVRM geen recht op opvang krachtens de Rva 2005 ontlenen. Nu het recht op verstrekkingen als bedoeld in artikel 9 van Pro de Rva 2005 afhankelijk is van het recht op opvang krachtens de Rva 2005, heeft de rechtbank niet onderkend dat de COa terecht heeft geweigerd om de vreemdeling de gevraagde verstrekkingen te verlenen.
De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep ongegrond verklaren.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 15 februari 2012 in zaak nr. 11/24279;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Groeneweg
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014
32-747.