ECLI:NL:RVS:2014:2677
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks verzoek tot matiging
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde een boete van € 8.000,- op aan een stichting wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen door het laten werken van een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank Rotterdam matigde deze boete tot € 6.000,- vanwege de financiële situatie van de stichting en het belang van jeugdwerkactiviteiten die hierdoor in gevaar zouden komen.
De minister ging in hoger beroep tegen deze matiging en stelde dat de financiële omstandigheden van de stichting geen reden tot vermindering van de boete konden zijn. De Raad van State oordeelde dat de minister onvoldoende gemotiveerd had betwist dat de omstandigheden waaronder de overtreding plaatsvond aanleiding konden geven tot matiging op grond van het evenredigheidsbeginsel.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de minister ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht werd vastgesteld op € 478,-.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de matiging van de boete tot € 6.000,- en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.