ECLI:NL:RVS:2014:2758
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs na niet meewerken aan rijvaardigheidsonderzoek
Het CBR legde appellant een rijvaardigheidsonderzoek op vanwege het vermoeden dat hij niet langer aan de rijvaardigheidseisen voldeed, nadat hij kort na elkaar twee keer dezelfde motorrijder had aangereden. Appellant werkte niet mee aan het onderzoek, waarop het CBR zijn rijbewijs ongeldig verklaarde.
Appellant voerde aan dat het onderzoek ten onrechte was opgelegd omdat het pas drieëneenhalve maand na de invordering van zijn rijbewijs plaatsvond en omdat de aanleiding een geringe aanrijding betrof. De Afdeling oordeelde dat het CBR binnen de wettelijke termijnen handelde en dat een vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid voldoende is om een onderzoek op te leggen, ongeacht de ernst van het incident.
Verder stelde appellant dat hij geen geldige reden had om niet te verschijnen voor het onderzoek, omdat hij de uitnodiging te laat ontving. De Afdeling vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de uitnodiging pas op 25 april ontving en dat het ontbreken van een geldige reden voor verhindering terecht leidde tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank die het besluit van het CBR steunde.
Uitkomst: Het rijbewijs van appellant blijft ongeldig verklaard wegens het niet meewerken aan het rijvaardigheidsonderzoek.