ECLI:NL:RVS:2014:2784
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor illegale arbeid zonder tewerkstellingsvergunning
De minister legde [appellante] een boete op van €8.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) omdat een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtte. De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond en deze stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de minister bevoegd was de boete op te leggen en dat het aan de werkgever was om vooraf te controleren of de vreemdeling legaal arbeid mocht verrichten. [appellante] had nagelaten het paspoort of verblijfsdocument van de vreemdeling te controleren, waardoor zij het risico nam de Wav te overtreden.
De Raad van State oordeelde dat geen sprake was van volledige of verminderde verwijtbaarheid die matiging van de boete zou rechtvaardigen. Ook het argument dat de arbeid slechts incidenteel was, werd verworpen omdat de intentie bestond de vreemdeling als arbeidskracht in te zetten. De rechtbank had de boete zonder terughoudendheid getoetst aan het evenredigheidsbeginsel en de Raad van State bevestigt de uitspraak.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €8.000 wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning.