ECLI:NL:RVS:2014:293
Raad van State
- Hoger beroep
- S.F.M. Wortmann
- A. Hammerstein
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kindgebonden budget wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Appellant, afkomstig uit Oezbekistan, verzocht om een kindgebonden budget voor 2011, maar de Belastingdienst wees dit af wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat artikel 8 EVRM Pro het recht op respect voor familie- en gezinsleven beschermt, maar dat het Nederlandse stelsel van sociale voorzieningen primair positieve verplichtingen legt bij bestuursorganen die voorzieningen voor vreemdelingen uitvoeren. De verstrekking van een kindgebonden budget waarborgt niet het bestaansminimum, zodat geen positieve verplichting tot verstrekking uit het EVRM en IVRK volgt.
Appellant voerde aan dat de weigering een inbreuk maakt op haar familie- en gezinsleven en het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro, mede omdat zij Nederland niet kan verlaten vanwege haar statenloosheid. De Afdeling oordeelde dat deze omstandigheden niet bijzonder genoeg zijn om af te wijken van de Koppelingswet. Ook het beroep op artikel 27 IVRK Pro faalde omdat dit artikel niet rechtstreeks toetsbaar is en de aanvraag niet op het kind zelf, maar op de ouder ziet.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het kindgebonden budget bevestigd.