ECLI:NL:RVS:2014:2951
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering voorschot kindgebonden budget wegens onrechtmatig verblijf toeslagpartner
Appellante verzocht om een voorschot kindgebonden budget voor 2013, maar de Belastingdienst/Toeslagen stelde dit op nihil vanwege het onrechtmatig verblijf van haar toeslagpartner. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad van State bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het voorschot kindgebonden budget niet bedoeld is om het bestaansminimum te waarborgen en dat de weigering niet in strijd is met het recht op respect voor het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM Pro. Ook is het koppelingsbeginsel in artikel 9, tweede lid, Awir een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor de weigering.
Verder oordeelde de Afdeling dat de belangen van het kind voldoende zijn betrokken en dat de artikelen van het IVRK geen zelfstandige aanspraken op het kindgebonden budget creëren. Een nieuw aangevoerde grond over het recht te huwen werd niet in behandeling genomen wegens het ontbreken van eerdere indiening bij de rechtbank.
De Afdeling concludeert dat er geen reden is om af te wijken van de eerdere uitspraak en bevestigt de weigering van het voorschot kindgebonden budget.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; weigering voorschot kindgebonden budget bevestigd.