ECLI:NL:RVS:2014:2953
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning na opheffing ongewenstverklaring
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin twee besluiten werden vernietigd. De minister had op 15 juli 2011 een verzoek van een vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring en een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. De staatssecretaris had later het bezwaar tegen de ongewenstverklaring gegrond verklaard en een inreisverbod uitgevaardigd, terwijl het bezwaar tegen de verblijfsvergunning werd afgewezen.
De rechtbank vernietigde het inreisverbod en de afwijzing van de verblijfsvergunning en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. In hoger beroep klaagde de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk had verklaard, omdat door de vernietiging van het inreisverbod de ongewenstverklaring weer van kracht werd.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank dit niet had onderkend en verklaarde het hoger beroep gegrond. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor het deel dat ziet op de verblijfsvergunning en het beroep daarop werd niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige werd de uitspraak bevestigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €487,00.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard; overige uitspraak bevestigd.