ECLI:NL:RVS:2014:297

Raad van State

Datum uitspraak
5 februari 2014
Publicatiedatum
5 februari 2014
Zaaknummer
201301222/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sluiting inrichting door burgemeester Dordrecht na weigering exploitatievergunning

Bij besluit van 16 mei 2011 heeft de burgemeester de inrichting van een bedrijf aan een locatie te Dordrecht gesloten met ingang van 20 mei 2011. Appellant maakte bezwaar tegen deze sluiting, maar dit bezwaar werd bij besluit van 23 december 2011 ongegrond verklaard, waarna de inrichting op 2 februari 2012 werd gesloten. De rechtbank Dordrecht verklaarde het daarop ingestelde beroep van appellant ongegrond op 18 december 2012.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld op 7 januari 2014, waarbij appellant en de burgemeester verschenen. Tevens werd een advies van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur betrokken bij de beoordeling.

De Raad van State oordeelde dat het betoog van appellant, dat de sluiting onterecht is omdat er zicht is op legalisering en dat hij onevenredig financieel wordt geschaad, slechts een herhaling was van eerdere argumenten die reeds door de rechtbank waren beoordeeld. Daarnaast viel de weigering van de burgemeester om een exploitatievergunning te verlenen buiten het bestreden geschil. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de sluiting van de inrichting wordt bevestigd.

Uitspraak

201301222/1/A3.
Datum uitspraak: 5 februari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Dordrecht,
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 18 december 2012 in zaak nr. 12/92 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Dordrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 16 mei 2011 heeft de burgemeester [bedrijf] aan de [locatie] te Dordrecht (hierna: de inrichting) met ingang van 20 mei 2011 om 12:00 uur gesloten.
Bij besluit van 23 december 2011 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard doch de inrichting op 2 februari 2012 om 12:00 uur gesloten.
Bij uitspraak van 18 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de door de burgemeester verzochte beperkte kennisneming van het advies van 6 september 2011 dat het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur op verzoek van de burgemeester heeft uitgebracht gerechtvaardigd geoordeeld.
[appellant] heeft aan de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling heeft daarop kennis genomen van het advies.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2014, waar [appellant] in persoon en de burgemeester, vertegenwoordigd door mrs. R.W. Veldhuis en M.F.H. Hirsch Ballin, beiden advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] gehoord.
Overwegingen
1. Het betoog van [appellant] dat de burgemeester de inrichting ten onrechte heeft gesloten, omdat er wel concreet zicht is op legalisering, nu hij niet in de afwijzing van zijn aanvraag om een exploitatievergunning heeft berust en hij door de sluiting onevenredig in zijn financiële belangen wordt geschaad, is louter een herhaling van wat hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Deze is in de aangevallen uitspraak hierop ingegaan. In hoger beroep heeft [appellant] niet aangevoerd, dat en waarom de desbetreffende overwegingen onjuist, dan wel onvolledig zijn. Het aangevoerde geeft daarom geen aanleiding om die uitspraak te vernietigen.
2. Hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd, betreft de weigering van de burgemeester hem een vergunning te verlenen voor de exploitatie van de inrichting. Die weigering valt buiten dit geschil. Die gronden kunnen daarom evenmin leiden tot het ermee beoogde resultaat.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.
w.g. Loeb w.g. De Leeuw-van Zanten
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2014
97-773.