ECLI:NL:RVS:2014:3054

Raad van State

Datum uitspraak
4 augustus 2014
Publicatiedatum
13 augustus 2014
Zaaknummer
201405599/2/A1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
  • D.A.B. Montagne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing omgevingsvergunning woninguitbreiding te Sassenheim

Het college van burgemeester en wethouders van Teylingen verleende op 27 mei 2013 een omgevingsvergunning aan belanghebbende voor het veranderen en vergroten van een woning te Sassenheim. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 29 november 2013 ongegrond werd verklaard door het college. De rechtbank verklaarde het bezwaarbesluit op 22 mei 2014 gegrond en vernietigde het, waarna het college en belanghebbende hoger beroep instelden. Verzoeker stelde incidenteel hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzitter behandelde het verzoek op 24 juli 2014 en overwoog dat de juridische vraag of het bouwplan gesplitst kan worden in vergunningvrije en vergunningplichtige onderdelen te complex is voor een voorlopige beslissing en daarom in de bodemprocedure moet worden beantwoord. Gezien het feit dat de rechtbank het bezwaarbesluit reeds had vernietigd en er onvoldoende zekerheid bestond over de instandhouding van de vergunning, werd het belang van verzoeker en belanghebbende afgewogen.

De voorzitter besloot het besluit van 27 mei 2013 te schorsen om onevenredig nadeel te voorkomen en gelastte het college het betaalde griffierecht aan verzoeker te vergoeden. Deze voorlopige voorziening is niet bindend voor de bodemprocedure en bevordert een spoedige behandeling daarvan.

Uitkomst: Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning wordt geschorst als voorlopige voorziening.

Uitspraak

201405599/2/A1.
Datum uitspraak: 4 augustus 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:
[verzoeker A] en [verzoekster B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Sassenheim, gemeente Teylingen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2014 in zaak nr. 14/103 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Teylingen.
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2013 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het onder meer veranderen en vergroten van de woning op het perceel [locatie] te Sassenheim, gemeente Teylingen.
Bij besluit van 29 november 2013 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 mei 2014 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 november 2013 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben het college en [belanghebbende] hoger beroep ingesteld. [verzoeker] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 juli 2014, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door drs. S.A.N. Geerling en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Koomen en ing. E. van der Meulen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. In het incidenteel hoger beroepschrift heeft [verzoeker] aangevoerd dat de rechtbank niet alleen het besluit op bezwaar maar ook het primaire besluit, waarbij omgevingsvergunning is verleend had dienen te vernietigen.
3. [verzoeker] heeft, nu de bouwwerkzaamheden op het perceel zijn aangevangen, verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het besluit van 27 mei 2013 wordt geschorst ter voorkoming van onevenredig nadeel in afwachting van een uitspraak op de hoger beroepen.
4. De in hoger beroep opgeworpen rechtsvragen, die met name betrekking hebben op de vraag of het bouwplan van [belanghebbende] kan worden gesplitst in vergunningvrije en vergunningplichte onderdelen, lenen zich, gelet op de juridische complexiteit daarvan, niet voor beantwoording in deze procedure en zullen daarom in de bodemprocedure moeten worden beantwoord. Gelet daarop, bestaat thans onvoldoende zekerheid of de in geding zijnde vergunning in stand zal blijven.
Gezien het vorenstaande en nu de rechtbank het besluit van 29 november 2013 reeds heeft vernietigd, bestaat bij afweging van de betrokken belangen aanleiding om na te melden voorlopige voorziening te treffen, waarbij gelet op het belang van [belanghebbende] zal worden bevorderd dat de bodemzaak zo spoedig mogelijk ter zitting zal worden behandeld.
5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Teylingen van 27 mei 2013, kenmerk 20131061;
II. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Teylingen aan [verzoeker A] en [verzoekster B] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Montagne
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2014
374-713.