ECLI:NL:RVS:2014:3081
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over inreisverbod vreemdeling met misdrijfverleden
De zaak betreft een vreemdeling die een inreisverbod van tien jaar opgelegd kreeg na een ongewenstverklaring vanwege eerdere veroordelingen voor misdrijven, waaronder een opiumdelict uit 1989 en latere veroordelingen. De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen het inreisverbod, waarna de rechtbank het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank onterecht onvoldoende gewicht had toegekend aan de ernst van de misdrijven en het feit dat de vreemdeling ondanks de ongewenstverklaring in Nederland verbleef en opnieuw strafbaar handelde. Daarnaast werd betoogd dat de belangen van het minderjarige kind en de medische situatie van de vreemdeling wel degelijk waren meegewogen volgens de Boultif- en Üner-criteria.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris de belangenafweging zorgvuldig en deugdelijk had gemotiveerd, dat het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, en dat de rechtbank ten onrechte het besluit had vernietigd. Het beroep van de vreemdeling op het gelijkheidsbeginsel en internationale verdragen werd eveneens verworpen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.