ECLI:NL:RVS:2014:312
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling schijnhuwelijk bij aanvraag machtiging voorlopig verblijf afgewezen
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 4 augustus 2011 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar verklaarde de minister dit ongegrond. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde in hoger beroep dat tussen de vreemdeling en haar echtgenoot sprake was van een schijnhuwelijk. Hij wees op tegenstrijdigheden in hun verklaringen over essentiële punten zoals de eerste ontmoeting, het ontstaan van de relatie en contact met familie.
De rechtbank had deze tegenstrijdigheden als details bestempeld en vond dat eensluidende antwoorden op andere vragen het bestaan van een schijnhuwelijk niet aannemelijk maakten. De Raad van State oordeelde echter dat de tegenstrijdigheden niet als details konden worden gezien en dat de rechtbank ten onrechte de samenhang van deze tegenstrijdigheden niet had meegewogen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van 12 juli 2012 ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens aannemelijk schijnhuwelijk.