ECLI:NL:RVS:2014:3172
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afgeleid verblijfsrecht voor familielid van werknemer met Nederlandse nationaliteit
De vreemdeling, Oekraïense nationaliteit, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, als familielid van haar schoonzoon, een Nederlandse werknemer die regelmatig in andere lidstaten werkt. De staatssecretaris wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde deze afwijzing, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling schortte de procedure op om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU te stellen over de uitleg van Richtlijn 2004/38/EG en artikel 45 VWEU Pro. Na het arrest van het Hof op 12 maart 2014 heropende de Afdeling het onderzoek. Het Hof oordeelde dat een afgeleid verblijfsrecht aan een derdelander kan worden toegekend indien de weigering daarvan de werknemer belemmert in het uitoefenen van zijn recht op vrij verkeer.
De Afdeling oordeelde dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de weigering haar een verblijfsrecht te verlenen de werknemer belemmert in zijn recht van vrij verkeer. De aanwezigheid van de vreemdeling is niet noodzakelijk om het recht van vrij verkeer van de werknemer daadwerkelijk te garanderen. Daarom is het besluit van de staatssecretaris vernietigd wegens gebrekkige motivering, maar blijven de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand omdat geen afgeleid verblijfsrecht is toegekend.