ECLI:NL:RVS:2014:3248
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake intrekking verblijfsvergunning en belangenafweging artikel 8 EVRM
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag die het bezwaar van een vreemdeling tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning gegrond verklaarde. De minister had de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken vanwege het niet bijdragen aan het economisch welzijn en het beperkte contact met zijn zoon.
De rechtbank had geoordeeld dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro omdat het algemeen belang niet voldoende was afgewogen tegen het belang van de vreemdeling en zijn zoon. De staatssecretaris stelde dat het contact tussen vreemdeling en zoon beperkt was door de moeder en dat het gezinsleven ook via moderne communicatiemiddelen vorm kon krijgen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd. De staatssecretaris heeft de belangenafweging zorgvuldig gemaakt, rekening houdend met de omgangsgeschiedenis en het algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid. De beperkte omgang en het ontbreken van een concrete verwachting van hervatting van contact rechtvaardigen de intrekking.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.