ECLI:NL:RVS:2014:332

Raad van State

Datum uitspraak
5 februari 2014
Publicatiedatum
5 februari 2014
Zaaknummer
201304806/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34c Wet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van buitenbehandelingstelling aanvraag peiljaarverlegging door Raad voor Rechtsbijstand

De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand om haar aanvraag om peiljaarverlegging buiten behandeling te stellen. De raad stelde de aanvraag buiten behandeling omdat appellant niet tijdig alle gevraagde gegevens had verstrekt, ondanks een termijn van vier weken voor het aanleveren van aanvullende informatie.

Appellant voerde aan dat de termijnoverschrijding niet aan haar te wijten was vanwege omstandigheden rondom het faillissement van haar echtgenoot. De Afdeling oordeelde echter dat de postblokkade bij de curator voor risico van appellant kwam. Tevens stelde appellant dat de aanvraag alsnog in behandeling had moeten worden genomen omdat zij binnen twee weken na de buitenbehandelingstelling alle benodigde stukken had overgelegd. Dit werd verworpen omdat zij niet alle gevraagde gegevens, met name van de bankrekening van haar echtgenoot, had aangeleverd.

De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt deze uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing van de raad om de aanvraag buiten behandeling te stellen blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de buitenbehandelingstelling van de aanvraag peiljaarverlegging wegens niet tijdig aanleveren van alle gevraagde gegevens.

Uitspraak

201304806/1/A2.
Datum uitspraak: 5 februari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 april 2013 in zaak nr. 12/1292 in het geding tussen:
[appellante]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 16 maart 2012 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om peiljaarverlegging buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 10 april 2012 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 18 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2014, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam aldaar, is verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 34c, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand, neemt het bestuur, indien in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan sprake is van een terugval in het inkomen of vermogen, op verzoek van de rechtzoekende een besluit dat is gebaseerd op het inkomen of vermogen in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan.
Volgens de instructie Peiljaarverlegging, opgenomen in de Werkinstructies Toevoegen, wordt indien de aanvraag om peiljaarverlegging onvolledig is, voor het indienen van nadere informatie eenmalig een termijn van vier weken gegeven. Er wordt niet gerappelleerd. De aanvraag kan buiten behandeling (BPT) worden gesteld als de gevraagde informatie niet binnen de termijn wordt verstrekt aan de Raad. Indien binnen twee weken na de BPT-beslissing alle noodzakelijke stukken worden overgelegd, wordt het verzoek alsnog inhoudelijk behandeld.
2. Aan het besluit van 16 maart 2012, gehandhaafd bij besluit van 10 april 2012, heeft de raad ten grondslag gelegd dat [appellante], ondanks daartoe in de gelegenheid gesteld te zijn, niet tijdig alle gevraagde gegevens en bescheiden heeft verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
3. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de termijnoverschrijding haar niet kan verweten kan worden door omstandigheden die samenhangen met het faillissement van haar echtgenoot. Onder verwijzing naar de uitspraak van 8 november 2006 in zaak nr. 200604683/3 overweegt de Afdeling dat als de brief, waarbij [appellante] is gewezen op de mogelijkheid alsnog de benodigde gegevens en bescheiden over te leggen, ten onrechte door de postblokkade bij de curator van het faillissement van haar echtgenoot is terechtgekomen, dit een omstandigheid is die voor risico van [appellante] komt.
4. [appellante] betoogt eveneens tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de raad de aanvraag alsnog in behandeling had moeten nemen omdat zij binnen twee weken na de buitenbehandelingstelling alle noodzakelijke stukken heeft overgelegd. In die situatie dient het verzoek volgens de Werkinstructie Toevoegen alsnog inhoudelijk te worden behandeld, aldus [appellante].
Bij brief van 16 februari 2012 heeft de raad [appellante] verzocht de financieel jaaroverzichten 2011 van alle bankrekeningen op te sturen. [appellante] heeft slechts gegevens van haar eigen bankrekening overgelegd. Nu zij de gegevens van de bankrekening van haar echtgenoot niet heeft overgelegd, doet zich de situatie als bedoeld in de Werkinstructie Toevoegen niet voor. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de raad de aanvraag niet alsnog in behandeling had hoeven te nemen.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.
w.g. Bijloos w.g. Van Meurs-Heuvel
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2014
47-799.