AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake terugvordering rijksbijdrage inburgering gemeente Laarbeek
De minister stelde bij besluit van 11 oktober 2010 de rijksbijdrage inburgering nieuwkomers over 2006 voor de gemeente Laarbeek op nihil vast en vorderde het uitbetaalde voorschot van € 71.636 terug. De gemeente maakte bezwaar, dat bij besluit van 1 maart 2011 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van Laarbeek gegrond en vernietigde het bezwaarbeleid, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde bij tussenuitspraak vast dat het besluit van 1 maart 2011, voor zover het de terugvordering betrof, in strijd was met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De minister werd opgedragen het besluit te herstellen door een nieuw besluit te nemen. Bij besluit van 14 mei 2014 handhaafde de minister het eerdere besluit, maar zonder de terugvordering van het voorschot.
De gemeente Laarbeek kon zich verenigen met het nieuwe besluit, waardoor geen beroep meer openstond. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het eerdere vonnis voor zover het de rechtsgevolgen in stand liet en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten van € 1.217,50 aan de gemeente.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de rechtsgevolgen in stand bleven; de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitspraak
201208903/2/A2.
Datum uitspraak: 10 september 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de gemeente Laarbeek,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, thans rechtbank Oost-Brabant, van 1 augustus 2012 in zaak nr. 11/1154 in het geding tussen:
Laarbeek
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voorheen: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie, thans: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, hierna: de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft de minister de rijksbijdrage inburgering nieuwkomers over het jaar 2006 (hierna: de rijksbijdrage) voor Laarbeek op nihil vastgesteld en het uitbetaalde voorschot ten bedrage van € 71.636 van Laarbeek teruggevorderd.
Bij besluit van 1 maart 2011 heeft de minister het door Laarbeek daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 augustus 2012 heeft de rechtbank het door Laarbeek daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 maart 2011 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft Laarbeek hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2013, waar Laarbeek, vertegenwoordigd door F. Lammers, werkzaam voor de gemeente, bijgestaan door mr. R. Benhadi, advocaat te Nijmegen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.A. van der Oord en P. Vos, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.
Bij tussenuitspraak van 23 april 2014 in zaak nr. 201208903/1/A2 heeft de Afdeling de minister opgedragen om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 1 maart 2011, in zoverre daarbij het uitbetaalde voorschot ten bedrage van € 71.636 is teruggevorderd, te herstellen door een nieuw besluit te nemen en dit tevens aan de Afdeling toe te zenden. Deze uitspraak is aangehecht.
Bij besluit van 14 mei 2014 heeft de minister ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak het besluit van 1 maart 2011 gehandhaafd met uitzondering van de terugvordering van het uitbetaalde voorschot van € 71.636.
Bij brief van 11 juli 2014 heeft Laarbeek een zienswijze naar voren gebracht.
De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak overwogen dat de rechtbank, door de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 maart 2011 in stand te laten, niet heeft onderkend dat dit besluit, in zoverre daarbij het uitbetaalde voorschot ten bedrage van € 71.636 van Laarbeek is teruggevorderd, is genomen in strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De Afdeling heeft de minister daarom opgedragen om, met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen, het gebrek in het besluit van 1 maart 2011 te herstellen door een nieuw besluit te nemen.
2. Het hoger beroep is gezien de tussenuitspraak gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 maart 2011 in stand blijven.
3. Bij besluit van 14 mei 2014 heeft de minister, gevolg gevend aan de tussenuitspraak, het besluit van 1 maart 2011 gehandhaafd met uitzondering van de terugvordering van het uitbetaalde voorschot van € 71.636.
De Afdeling overweegt dat de vermelding in dit besluit van de gemeente Landgraaf, in plaats van de gemeente Laarbeek, een kennelijke schrijffout betreft.
4. Laarbeek heeft in de zienswijze op het nieuwe besluit gesteld dat zij zich daarmee kan verenigen, zodat geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 vanPro de Awb is ontstaan waarop nog dient te worden beslist.
5. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch, thans rechtbank Oost-Brabant van 1 augustus 2012 in zaak nr. 11/1154, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 maart 2011, kenmerk WBJA/JA-BBS/10/23362/BOB, in stand blijven;
III. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij de gemeente Laarbeek in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.