ECLI:NL:RVS:2014:3340
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- R. Uylenburg
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunningvoorschrift wegens onduidelijkheid en grondwaterbescherming bij spoorwegemplacement Zwolle
Het college van burgemeester en wethouders van Zwolle verleende op 16 oktober 2012 een omgevingsvergunning aan ProRail voor het spoorwegemplacement Zwolle. [Appellant sub 1] stelde beroep in tegen dit besluit, maar werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een zienswijze over het ontwerpbesluit. De Raad van State bevestigt deze niet-ontvankelijkverklaring omdat appellant redelijkerwijs geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.
ProRail betoogde dat vergunningvoorschrift 8.3 onduidelijk was en dat de rechtbank dit ten onrechte niet had onderkend. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat dit voorschrift inderdaad onzorgvuldig is voorbereid en vernietigt het voorschrift. Tevens wijst de Afdeling op de noodzaak voor het college om te motiveren of en waarom het kan afwijken van de in de Omgevingsverordening Overijssel opgenomen voorschriften ter bescherming van het grondwater.
Vitens voerde aan dat aanvullende voorschriften nodig zijn voor het stallen van dieseltreinen, maar dit werd door de Afdeling afgewezen. De Afdeling bepaalt dat het college een nieuw besluit moet nemen met een passende motivering en dat tegen dat besluit beroep openstaat. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan ProRail.
Uitkomst: Het beroep van appellant sub 1 wordt niet-ontvankelijk verklaard, voorschrift 8.3 van de vergunning wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding aan ProRail.