ECLI:NL:RVS:2014:341
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J. Kramer
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen doorhaling inschrijving advocaat
De appellant werd door het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand bij besluit van 2 november 2011 definitief doorgehaald uit de inschrijving voor het verlenen van rechtsbijstand. Na bezwaar werd dit besluit op 30 juli 2012 gewijzigd tot een doorhaling voor de duur van één jaar, met aanvullende voorwaarden voor herinschrijving. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit van 30 juli 2012, maar verklaarde het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit van 2 november 2011 ongegrond.
Het bestuur stelde dat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep omdat hij door een beslissing van het Hof van Discipline zijn hoedanigheid als advocaat had verloren en de inschrijving daarom op grond van artikel 17, eerste lid, Wrb doorgehaald moest worden. Appellant voerde aan dat hij als mediator in aanmerking wil komen voor toevoegingen en mogelijk in de toekomst opnieuw als advocaat wil optreden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant geen belang heeft bij het hoger beroep omdat de doorhaling definitief is en hij geen advocaat meer is. De voorwaarden voor herinschrijving kunnen pas bij een nieuw verzoek worden beoordeeld. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.