ECLI:NL:RVS:2014:3438
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens gevaar voor openbare orde na werkstraf
Appellant verzocht om naturalisatie, maar dit verzoek werd door de staatssecretaris afgewezen op grond van artikel 9 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat appellant binnen de rehabilitatieperiode een werkstraf had aanvaard wegens een belastingdelict. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het beleid neergelegd in de Handleiding RWN 2003 als uitgangspunt geldt voor de beoordeling van gevaar voor de openbare orde. Aangezien appellant een werkstraf had aanvaard binnen vier jaar voorafgaand aan het verzoek, leidde dit tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek. Appellant voerde aan dat hij onterecht was bestraft en dat er bijzondere omstandigheden waren, zoals het feit dat zijn belastingadviseur het strafbare feit had gepleegd en dat hij niet op de hoogte was van de fraude. Ook stelde hij dat de zwaarte van de straf gering was en dat hij bij een terechtzitting mogelijk vrijgesproken zou zijn.
De Raad van State verwierp deze argumenten omdat de wijze van strafafdoening niet ter discussie kan worden gesteld in de naturalisatieprocedure en de omstandigheden geen bijzondere gronden vormen om van het beleid af te wijken. De zwaarte van de werkstraf was reeds in het beleid meegewogen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het naturalisatieverzoek van appellant wordt afgewezen vanwege een werkstraf binnen de rehabilitatieperiode zonder bijzondere omstandigheden.