ECLI:NL:RVS:2014:3456

Raad van State

Datum uitspraak
12 september 2014
Publicatiedatum
17 september 2014
Zaaknummer
201406744/2/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2.25 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitspraak rechtbank inzake handhaving houtwal

Het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk had een verzoek om handhavend op te treden tegen het aanleggen van een houtwal op een perceel afgewezen. Na bezwaar werd het besluit gedeeltelijk herroepen en werd de aanleg van de houtwal gelast met een dwangsom. De rechtbank Gelderland vernietigde dit besluit en bepaalde dat het college binnen zes weken een nieuwe beslissing moest nemen.

Het college stelde hoger beroep in en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening om uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank op te schorten. Tijdens de zitting op 4 september 2014 werden de partijen gehoord.

De voorzitter oordeelde dat de beoordeling van de motivering van de rechtbank over de vraag of de wederpartijen als overtreders kunnen worden aangemerkt, niet geschikt is voor de voorlopige voorzieningsprocedure en nader onderzoek in de bodemprocedure vereist is. Gezien het ontbreken van bijzondere belangen die spoedige uitvoering rechtvaardigen, werd de voorlopige voorziening toegewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het college hoeft geen uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

201406744/2/A1.
Datum uitspraak: 12 september 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 juli 2014 in zaak nr. 14/2785 in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [wederpartij A] en [wederpartij B]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 8 januari 2013 heeft het college het verzoek van [partij] om handhavend op te treden met betrekking tot het aanleggen van een houtwal op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), afgewezen.
Bij besluit van 12 maart 2014 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 8 januari 2013 herroepen en [wederpartij A] en [wederpartij B] gelast om uiterlijk 1 september 2014 een houtwal langs drie zijden van het perceel aan te leggen, onder oplegging van een eenmalige dwangsom van € 30.000,00.
Bij uitspraak van 29 juli 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartij A] en [wederpartij B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 maart 2014 vernietigd en bepaald dat het college binnen zes weken een nieuwe beslissing dient te nemen op het gemaakte bezwaar.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. Bij deze brief heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 september 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M. Huisman, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij A] en [wederpartij B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Het verzoek van het college strekt ertoe dat bij voorlopige voorziening wordt bepaald dat het college geen uitvoering hoeft te geven aan de aangevallen uitspraak totdat op het hoger beroep is beslist.
2.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college ondeugdelijk heeft gemotiveerd of [wederpartij A] en [wederpartij B] zijn aan te merken als uitvoerders van het project waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en of zij derhalve zijn aan te merken als overtreders. Naar het oordeel van de voorzitter leent beoordeling van de vraag of de rechtbank zulks terecht heeft overwogen zich niet voor beantwoording in de voorlopige voorzieningsprocedure en is hiertoe nader onderzoek in de bodemprocedure geboden.
Nu gesteld noch gebleken is dat er bijzondere belangen zijn die nopen tot het spoedig gevolg geven aan de aangevallen uitspraak, ziet de voorzitter bij afweging van de betrokken belangen aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college geen gevolg hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 juli 2014 voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van den Berg, griffier.
w.g. Borman w.g. Van den Berg
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2014
651.