ECLI:NL:RVS:2014:3518
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verlof voor het voorhanden hebben van wapens en munitie wegens vrees voor misbruik
Appellant verzocht om een verlof voor het voorhanden hebben van wapens en munitie, dat door de korpschef van de politieregio Flevoland werd geweigerd. De staatssecretaris verklaarde het administratief beroep gedeeltelijk gegrond, maar de rechtbank wees het beroep uiteindelijk af. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad van State overwoog dat op grond van de Wet wapens en munitie en de Circulaire Wapens en Munitie 2013 een verlof geweigerd kan worden indien er reden is om te vrezen dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd of misbruikt zal worden. De weigering is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving en vereist slechts geringe twijfel die objectief toetsbaar moet zijn.
De staatssecretaris baseerde de weigering op een proces-verbaal van 10 januari 2012 en een mutatierapport van 15 december 2009 waarin sprake was van huiselijk geweld door appellant jegens zijn ex-vrouw. Daarnaast werd een transactie uit 2002 wegens eenvoudige mishandeling meegewogen. Appellant voerde onder meer aan dat hij niet gehoord was over de processtukken en dat de verklaringen onjuist waren, maar de Raad oordeelde dat het proces-verbaal en mutatierapport als objectief toetsbare motivering konden dienen.
De Raad stelde vast dat appellant zich schriftelijk en mondeling over de stukken had kunnen uitlaten en dat de omstandigheden voldoende aanleiding gaven om te vrezen voor misbruik. De aangevoerde positieve verklaringen over zijn integriteit en stabiliteit en de verbeterde privésituatie konden dit oordeel niet weerleggen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het verlof bevestigd.